Swipe to the left

Waarom reddingspercentages niks zeggen over keeperskwaliteiten

Waarom reddingspercentages niks zeggen over keeperskwaliteiten
Geen reactie

Het kost je ongeveer 4 minuten om dit artikel te lezen


Een doelman staat er om ballen tegen te houden. Met zijn reddingen zorgt hij ervoor dat doelpogingen van de tegenstander onschadelijk worden gemaakt. Een goede keeper onderscheidt zich dan ook van een minder goede keeper door een hoger percentage ballen tegen te houden. Althans, dat zou je denken. Dit onderzoek wijst iets anders uit: op topniveau zegt het reddingspercentage niets over de kwaliteiten van een keeper.

Hoe zit dat precies? Sander IJtsma (@11tegen11), de schrijver van het artikel uit het linkje hierboven, is een specialist op het gebied van voetbal en statistieken. Hij is een van de weinige data-analisten ter wereld die een model ontwikkelde om de grootte van kansen te meten.

Expected goals

Dat gaat als volgt. Als een speler een doelpoging waagt, worden er bepaalde zaken bijgehouden, zoals het lichaamsdeel waarmee dat gebeurt, de afstand tot de goal en de hoek tot de goal. Je kunt je voorstellen dat een schot vanaf vijf meter van de goal gemakkelijker is dan een kopbal van buiten het zestienmetergebied.

Op basis van 500.000 schoten waarvoor deze gegevens zijn bijgehouden, kent zijn model aan elke doelpoging een kans op een doelpunt toe. Dat cijfer ligt altijd ergens tussen de 0 en de 1. De kans op een doelpunt uit een strafschop is bijvoorbeeld 0,76. Dat getal wordt expected goals genoemd, oftewel: verwachte doelpunten uit zo’n poging, afgekort als xG. Een afstandsschot levert vaak slechts 0,01 tot 0,05 xG op.

Op de eerste afbeelding hieronder zie je aan beide zijden verschillende stippen staan. Hoe groter de stip, hoe groter de kans. Op de tweede afbeelding zie je het wedstrijdverloop, waarbij de totale xG wordt opgeteld. Je ziet dat Basel één grote kans kreeg, in minuut 64. Die vind je ook terug op de afbeelding. Vind je het lastig om het verschijnsel xG te plaatsen, dan helpt deze uitleg op basis van wedstrijdbeelden je misschien op weg.

Reddingen

Wat heeft xG met de reddingspercentages van keepers te maken? Door in een heel seizoen de xG van elke doelpoging van de tegenstander op te tellen, krijg je voor een keeper een verwacht aantal tegengoals in dat seizoen. Kwamen tegenstanders bijvoorbeeld tot 500 doelpogingen met een gemiddelde xG van 0,10, dan verwacht je dat seizoen 50 tegengoals.

Stel dat twee keepers in dezelfde competitie, spelend voor een vergelijkbaar team, eindigen op een xG van 50. Keeper A krijgt slechts 40 tegengoals, keeper B maar liefst 60. Wat je kunt concluderen, is dat keeper A dat seizoen punten pakte voor zijn team met goede reddingen, terwijl keeper B zijn team punten kostte.

Instinctief verwacht je ook dat keeper A in algemene zin beter is dan keeper B. Maar het onderzoek van IJtsma wijst uit dat dat niet het geval is. Het verschil tussen de werkelijke tegengoals en de xG zegt helemaal niets over de prestaties in het jaar erop. Een keeper die in de plus eindigt, heeft net zoveel kans om het jaar erop weer in de plus te eindigen als een keeper die in de min eindigde.

Kortom, het verschil tussen het werkelijke en verwachte aantal tegengoals heeft helemaal geen voorspellende waarde. Keepers die veel reddingen verrichten en daarmee minder tegengoals krijgen dan verwacht, presteren in het jaar erop gewoon weer gemiddeld, evenals de keepers met weinig reddingen (zie kader over het gooien met een dobbelsteen).

Dobbelsteen
Stel dat je 60 keer werpt. Je verwacht dat je 10x een 1 en 10x een 6 gooit. In werkelijkheid gooi je 5x een 1 en 20x een 6. Dat zegt helemaal niets over de volgende serie van 60 worpen. Je verwacht gewoon weer 10x een 1 en 10x een 6. Zo is het ook met de reddingspercentages van keepers, zo blijkt uit het onderzoek van IJtsma.

Voorkomen is beter dan genezen

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat elke keeper in de vijf grootste competities even goed is. Wat het wel zegt: de betere keepers onderscheiden zich niet van de mindere keepers op basis van hun reddingen.

Wat de Manuel Neuers, David de Geas en Gianluigi Buffons van deze wereld wél onderscheidt van hun collega’s, is dat ze zorgen dat ze weinig (grote) kansen tegenkrijgen. Door een voorzet net voor de aanvaller uit de lucht te plukken, geen rebound weg te geven of de bal te onderscheppen in een een-tegen-een-duel, kan een keeper ervoor zorgen dat hij een doelpoging voorkomt. Hij staat geen schot toe en dus stijgt zijn totale xG in dat seizoen niet.

Dat sluit aan bij onze conclusie in het vorige stuk op Keepable: "Het A-type keeper: voorkomen is beter dan genezen". Een keeper kan beter het gevaar bezweren, zoals A-type Claudio Bravo, dan oplossen, zoals R-type Fabian Barthez.

Als het een keeper met 50 xG lukt om het seizoen erop maar 40 xG tegen te krijgen, dan zal hij gemiddeld ook 40 tegengoals krijgen. Hij hoeft niet eens boven zichzelf uit te stijgen en spectaculaire reddingen te verrichten op opnieuw ‘slechts’ 40 tegengoals te noteren. Hij hoeft alleen maar gemiddeld te presteren.

Reddingspercentages

De kans bestaat dat je bovenstaande uitleg niet altijd helemaal kon volgen. Het is een lastig onderwerp, waarbij begrip van statistiek nuttig is. Maar de conclusie is ook zonder rekenknobbel en ingewikkelde xG-modellen goed te begrijpen: keepers onderscheiden zich op de lange termijn niet met hun reddingen, maar door minder (kansrijke) doelpogingen weg te geven.

Dat kan een doelman doen door de verdediging goed te coachen, te heersen in de lucht, de aanvaller in de 1:1 tot een schot uit een moeilijke hoek te dwingen en een dieptebal te onderscheppen. Laten we vooral blijven genieten van mooie reddingen van keepers, maar hun reddingspercentages voorlopig in de ijskast zetten.

Geplaatst in: Statistieken
* invullen verplicht
Inschrijven Nieuwsbrief Blog Keepable


web-monitoring-ok